26 mrt. 2010

Brief aan een Atheïst


In de eerste plaats wil ik tot uitdrukking brengen hoezeer ik me geborgen en samen met jou vrij voel, door te herkennen wat ons als atheïsten verbindt, door naar de menselijke rede te weigeren ons iets te laten wijsmaken, dat iets, wat wie dan ook ooit eens verzonnen kan hebben, een absolute waarheid kan zijn. Er is geen God en geen leven na de dood, zoals er ook geen leven of enige vorm van bestaan was, voordat we door een willekeurige bevruchting onder een voor ons gunstig gesternte – hopelijk in liefde – verwekt en geboren werden. Hoe prettig het is, dat het leven is beperkt van een zeker begin tot een zeker einde, komt vooral tot uitdrukking in het feit dat er nog nooit iemand voorafgaand aan de geboorte of vanuit totale vergetelheid na de dood daar iets over te klagen heeft gehad en ons lot is derhalve niet erger dan dat van andere en functioneel minder bedeelde zoogdieren. Wij zijn uit stof en tot stof zullen we wederkeren; het is alleen wel jammer dat de boze dus ook niet wordt bestraft met de hel.
Natuurlijk achten wij ons als menselijke soort met recht en rede verheven boven al die andere zoogdieren, omdat we domweg de mogelijkheden hebben om dierlijke soorten (tot op zekere hoogte) te overheersen, dienstbaar te maken of zelfs volledig uit te roeien en we kunnen ad ultimo zo ook onszelf uitroeien, zelfs binnen één dag van technologisch geavanceerde actie, met de totale destructie van alles wat op aarde leeft als oogmerk en met als doel het virtueel gelijk der onwetenden te bevestigen. Dat zou onvergelijkelijk stupide zijn, maar niettemin denkbaar, want geloof is een handicap, in weerwil van onze mogelijkheid om de met elk geloof strijdige realiteit waar te nemen en te begrijpen. De werken ten goede kunnen zo verkeren in de werken ten kwade. Het kwaad komt altijd voort uit domheid.
Zo verzetten veel mensen zich tegen de gegeven eindigheid van het leven en tegelijk kunnen zij juist daardoor uit domheid het continuüm van de natuurlijke balans der voortgaande bestaanszekerheid verstoren.
Terwijl wij ons voortspoeden naar de ondergang is er geen God noch Natuur die medelijden met ons heeft en corrigerend ingrijpt. Er is geen hoger hand dan de menselijke hand der rede. De rede vergaart kennis die de macht moet creëren om het gevaar van verstoring van de balans der voortgaande bestaanszekerheid te keren. Het goede komt dus voort uit kennis en de kennis heeft als haar ultieme doel die voortgaande bestaanszekerheid van het leven, niet alleen het menselijke leven, maar het ook van het totaal in de samenhang der dingen, te verzekeren.
Heel het leven en al het leven concentreert zich op het verzekeren van voortgaande bestaanszekerheid, maar ongelukkigerwijs is het doorgaans ieder voor zichzelf. Ook onze menselijke mogelijkheden zijn daar dienstbaar aan, maar uit domme wellust en blinde hebzucht kunnen die ook gebruikt worden ten kwade. De natuur, inclusief onze menselijke mogelijkheden, geeft ons genoeg voor de voorzieningen die we nodig hebben, maar voor hebzucht is er nooit genoeg en die verstoort de balans der voortgaande bestaanszekerheid van het geheel. Dat kan ons het gevoel geven dat we in een vijandige wereld leven, dat alles en iedereen tegen ons is. Het brengt ons mogelijk tot ultieme domheid door te denken dat alles wat goed is voor een ander ten koste gaat van onszelf, wat niet waar kan zijn vanwege onze afhankelijkheid van de uitgebalanceerde, voortgaande bestaanszekerheid van het geheel.
Zoals wij een unieke rede en kennis hebben, zo hebben we ook de unieke domheid en het geloof in een hogere macht die tot het goede werkt en ons redden kan uit noodsituaties als wijzelf tekort schieten.
Door onze unieke rede en kennis zijn we ertoe veroordeeld ons lot in eigen hand te nemen, omdat we – anders dan elk andersoortig leven – enigszins in de toekomst kunnen kijken en volkomen nieuwe, voorheen onbekende, dreigende gevaren van onbalans detecteren, hopelijk op tijd om met onze steeds maar toenemende kennis en vaardigheden de juiste maatregelen te nemen.
Dit alles in het bewustzijn van welbegrepen eigenbelang. Wellicht kan de natuur ook wel zonder mensen voortbestaan, ons overleven en zelfs beter floreren, maar we willen er graag bijblijven en klaarblijkelijk zullen we dan verschrikkelijk ons best moeten doen. Het is niet anders en als mensheid in haar geheel schieten we vooralsnog tekort.
Dat dwingt ons alle menselijke mogelijkheden te optimaliseren en ten goede aan te wenden. Wij kunnen ons geen verspilling van talent en kracht bij man, vrouw, kind of grijsaard veroorloven. Daartoe moet ook de menselijke domheid van elk godsgeloof door middel van kennis en rede volledig worden uitgeroeid. Ook de achterlijkheid die door het geloof in stand gehouden wordt en de rede en kennis verduistert, kunnen wij ons niet langer permitteren.
Tegelijk dringt zich de werkelijkheid van onze individuele eigenheid op om ons te behoeden voor de domheid in vrijwel anonieme collectiviteit te gelo-ven, wat tot een ideologie leidt die reeds gebleken is onwerkbaar te zijn. Juist het persoonlijk streven naar optimalisatie van de eigen mogelijkheden is ons sterkste motief, medebepalend voor de kwaliteit van ons individuele leven. Je hebt maar één kans om van je leven iets te maken wat de moeite waard is, want je kunt het nooit meer overdoen en achteraf is er ook niets goed te maken.
Het geheel kan zeker meer zijn dan de som der delen, maar voor het creatieve proces is groei in eigenheid en diversiteit een absolute noodzaak. Er moeten nieuwe wegen gevonden worden om de nieuwe uitdagingen van de voorzienbare toekomst der mensheid aan te kunnen. Creatieve individuen zullen daartoe de aanzet moeten geven met frisse ideeën, gevolgd door controle van beproeven en uitbalanceren om het kaf van het koren te scheiden. Wat werkbaar en deugdelijk blijkt kan dan collectief geïmplementeerd en geoptimaliseerd worden.
Dit creatieve proces van een borrelende ideeënbron in de ontwaakte mensheid wordt niet verdragen door ideologische of religieuze systemen van samenleven – culturen genaamd – en hier raken oorspronkelijk tegengestelde ideeën van holisme en reductionisme elkaar en vloeien in elkaar over tot een aanzienlijke uitbreiding van ons redelijk voorstellingsvermogen. Niet dat alles in de complexe toekomst maakbaar of voorspelbaar wordt, integendeel zelfs, maar het geeft ons de capaciteit om met de hand aan het roer een vastere koers te varen in de ons omspoelende chaos.
Dat is leuk en prettig.
Anderzijds verdraagt de noodzaak tot mensgestuurde voortgang van gebalanceerde bestaanszekerheid zich niet met enige religie of heersende ideologie, want wat niet bestaat, kan niet blijven en illusie is geen werkbare substantie zoals de realiteit der hanteerbare zaken, waarmee iets zinvols bereikt kan worden. De enige levensvatbare cultuur voor het geheel der mensheid en de samenstellende individuen is een cultuur zonder God en waar God reeds dood is moet het residu ook worden opgeruimd.

Geen opmerkingen: